Vertelvorm


Onder vertelvorm verstaan we alle constructies en technieken die je kunt gebruiken om een verhaal vorm te geven. Je gebruikt constructies om de basisplot (die altijd vrij simpel en rechttoe-rechtaan is) aan te kleden en spannend te maken. Er zijn heel veel trucjes en technieken, maar dit zijn de belangrijkste, en degene die je als beginnend schrijver onder de knie moet krijgen:

  • Chronologie

  • Chronologie betekent tijdverloop of volgorde van vertellen. Een chronologisch verteld verhaal beschrijft de gebeurtenissen in de volgorde waarin ze plaatsgevonden hebben. Je volgt de plotlijn vrij precies, begint bij het begin, eindigt bij het eind, en het verhaal bestaat uit een reeks scènes waarin oorzaak en gevolg elkaar opvolgen. Als je ons bergbeklimmersverhaal chronologisch zou vertellen, zou de eerste scène bijvoorbeeld de groep die besluit de klim te wagen kunnen zijn, de tweede scène die waar de voorbereidingen getroffen worden, de derde scène die waarin ze afreizen naar het basiskamp aan de voet van de berg, etc.

    Chronologische verhalen lijken simpel om te schrijven, maar dat zijn ze niet. Het is moeilijk om spanning op te bouwen in een chronologisch verhaal. Je kunt niet echt stappen overslaan (al kun je stukjes samenvatten), en het kan even duren voor je bij de spannende, interessante of ontroerende scènes komt die je het duidelijkst voor je zag toen je het verhaal verzon. Je kunt het gevoel krijgen dat je maar bezig blijft met de voorbereiding en de aanloop tot het verhaal zelf. En als je verhaal je gaat vervelen, als je scènes afwerkt met het idee 'nog zo veel te gaan voor ik bij het interessante materiaal kom', merkt een lezer dat. Als je een verhaal chronologisch wilt vertellen, moet je een manier verzinnen om de aanloop net zo interessant te maken als de meer dramatische scènes.

    De chronologie aanpassen is een veelgebruikte manier om een verhaal spannender te maken. Wat veel schrijvers bijvoorbeeld doen, is openen met een spannende of dramatische scène die ergens aan het eind van het verhaal plaatsvindt, zodat lezers alvast een idee krijgen wat de karakters te wachten staat. Om vervolgens terug te keren naar het begin en het verhaal verder chronologisch te vertellen. In die opzet ziet het bergbeklimmersverhaal er als volgt uit: de eerste scène is een cruciaal moment dat redelijk ver in het verhaal ligt, bijvoorbeeld het punt dat een aantal van de bergbeklimmers besluit af te haken, of het moment dat een van hen gewond raakt. Of je kiest voor een van de allerlaatste scènes, waarin er nog maar een karakter over is dat zich omhoog worstelt naar de bergtop. Dan breek je de scène af (voor de conclusie – de lezer moet in spanning gehouden worden over de afloop) en keer je terug naar het begin. De rest van de scènes vertel je op chronologische volgorde, maar doordat er zo'n sterk contrast bestaat tussen de eerste, optimistische scènes en de onvermijdelijke conclusie, krijgen die vroege scènes iets tragisch.

    Maar je kunt de chronologie ook op andere manieren aanpassen. Je kunt scènes door elkaar gooien en de lezer laten raden naar hoe ze in elkaar passen en wat oorzaak en gevolg is. Je kunt nog een stap verder gaan en in het midden laten welke scènes werkelijk gebeurd zijn en welke niet, als je een fantaserende of hallucinerende verteller hebt. Je kunt een verhaal (of een deel ervan) in omgekeerde volgorde vertellen, waarbij je een reeks scènes krijgt waarin je eerst het gevolg onthult en dan pas de oorzaak. In ons voorbeeld: in de eerste scène zit een karakter vast op een bergtop, in de tweede scène is hij bijna bij de top, in de derde scène is het karakter op driekwart van de klim en moet hij zijn gewonde partner achterlaten, etc. Uitvinden welke vertelvorm bij welke plot past (en wat je zelf prettig vindt werken) is even experimenteren, maar zolang het verhaal begrijpelijk blijft voor je lezer, mag je de scènes in iedere volgorde plaatsen die je wilt.

  • Flashbacks en herinneringen

  • Flashbacks zijn hierboven al ter sprake gekomen. Als je tijdens het vertellen van je verhaal terugspringt naar een eerder punt in de tijd (of het nu voor heel even is of voor langere tijd) is er sprake van een flashback. Je kunt flashbacks gebruiken om heen en weer te springen binnen de plotlijn, maar je kunt ze ook gebruiken om terug te keren naar momenten die buiten de plotlijn liggen. In het laatste geval gebruik je ze als een manier om achtergrondinformatie te verstrekken, bijvoorbeeld over de jeugd van een karakter, om te verklaren waarom hij is zoals hij is. Maar als je bijvoorbeeld de gebeurtenissen in ons bergbeklimmersverhaal vanuit het perspectief van een alwetende verteller beschrijft, kun je ook een flashback opnemen naar een aardbeving honderd jaar geleden die de kloof veroorzaakt waar een van de karakters in zal vallen.

    Herinneringen hebben ongeveer dezelfde functie als flashbacks. Ze dienen om achtergrondinformatie te geven die je niet direct in de plotlijn kunt of wilt opnemen. Het verschil tussen de twee is dat je met een flashback terugspringt in de tijd. Het heden verplaatst zich, zeg maar – als je van de trektocht waar alles fout begint te gaan terugspringt naar een scène waarin de karakters de klim nog voorbereiden, is die scène voor je karakters het heden. Ze hebben nog geen weet van de sombere, moeilijke toekomst. Bij een herinnering daarentegen blijft het heden waar het is. Het karakter dat op de berg zit en terugdenkt aan huis blijft op de berg en weet dat hij op de berg zit. Zijn gedachten dwalen af, maar de chronologie blijft onaangetast.

    Je moet wel opletten dat je duidelijk in de tekst aangeeft waar een flashback begint en eindigt. Je lezer moet weten dat hij terugspringt naar een punt in het verleden, of dat hij terugkeert naar het heden. Het is irritant en desoriënterend om een verhaal te lezen en twee pagina's te laat te beseffen dat je (om ons voorbeeld er nog een keer bij te nemen) bij een voorbereidende bijeenkomst bent terwijl je dacht dat je in het basiskamp was. Het haalt je als lezer uit het verhaal, het herinnert je eraan dat je niet zelf kunt zien en horen wat er gebeurt, dat je helemaal afhankelijk bent van wat de schrijver je vertelt, en dat is precies het omgekeerde van wat de bedoeling is.

  • Foreshadowing

  • Foreshadowing (een schaduw vooruit werpen) betekent dat je in de tekst aanwijzingen geeft over wat er verderop in het verhaal gaat gebeuren. Meestal doe je dit om spanning op te wekken – 'alles is nu nog leuk en aardig, maar dat zal niet zo blijven' of 'er staat dit karakter een grote verrassing te wachten'. Hoe je dit doet (en hoe subtiel je erin bent) hangt af van het type verhaal en het soort verteller dat je gebruikt. Als je een alwetende verteller hebt, kan die een blik op de toekomst werpen. Een karakter kan een naar voorgevoel hebben. Je kunt veel suggereeren met je woordkeus. Je moet per verhaal bekijken wat wel en niet werkt.

    In ons bergbeklimmersverhaal zijn er (ook zonder alwetende verteller) een aantal voor de hand liggende manieren om aan foreshadowing te doen. De karakters bereiden zich voor op hun klim, en nemen lessen bij meer ervaren klimmers. Die proberen hen te waarschuwen voor de potentiële gevaren van de klim, maar de karakters nemen de waarschuwingen niet serieus en letten niet erg goed op tijdens de instructie. Je kunt een storm laten opsteken als ze in het basiskamp zijn, die de karakters daar een paar dagen vasthoudt en ze een voorproefje geeft van wat hen te wachten staat. Je kunt een scène in het verhaal schrijven waarin je laat zien dat het karakter dat de leiding heeft (of de meeste invloed uitoefent binnen de groep) de neiging heeft te grote risico's te nemen. Of je verwerkt de foreshadowing in de motieven van de karakters om de berg te beklimmen: ze zijn hun veilige leven zo zat en er zo van overtuigd dat de klim hun leven zal veranderen dat ze overduidelijke risico's zullen negeren. Je kunt beeldspraak gebruiken die te maken heeft met vallende stenen of ijzige kou. Je kunt zelfs met flash-forwards werken, waarbij je naar de toekomst springt in plaats van naar het verleden.

  • De verteller

  • Ik heb het onder perspectief al over de verteller gehad, dus ik zal er hier niet al te diep op ingaan. Maar wie je als verteller kiest, heeft grote invloed op het verhaal dat je vertelt. Zijn mening over en zijn betrokkenheid bij de gebeurtenissen bepalen wat hij wel en niet vertelt en waar hij de nadruk op legt. Als het perspectief bij een van de karakters ligt, kan hij alleen vertellen wat hij kan zien, horen en weten – hij kan je lezer niet vertellen wat er omgaat in het hoofd van een van de andere karakters (al kan hij er wel naar raden) of hoe het weer aan de andere kant van de berg is. Als je een verteller kiest, bedenk dan welk karakter toegang heeft tot de informatie die je aan de lezers wilt verstrekken. Kies voor het bergbeklimmersverhaal niet een verteller die al vrij snel afhaakt – als je je lezers mee wilt nemen naar de top van de berg, moet de verteller de hele beklimming kunnen waarnemen. De verteller moet in dit geval dus of het laatst overgebleven karakter zijn, of een alwetende verteller.

  • Verteltijd

  • In principe kun je bij het vertellen van een verhaal uit drie verteltijden kiezen: de verleden tijd (hij beklom de berg), de tegenwoordige tijd (hij beklimt de berg) en de toekomende tijd (hij zal de berg beklimmen). In de praktijk zul je de laatste niet veel gebruiken, zeker niet voor een heel verhaal. Al wordt in de fantasy de toekomende tijd nog relatief vaak gebruikt – een profetie, bijvoorbeeld, is in de toekomende tijd geschreven.

    De meeste verhalen worden in de verleden tijd geschreven. Die is het makkelijkst te gebruiken en komt vaak het meest natuurlijk over. Misschien omdat we eraan gewend zijn. Maar waarschijnlijk komt het ook geruststellend over: als de verteller in de verleden tijd spreekt, wekt hij de indruk dat hij een overzicht heeft over de gebeurtenissen, dat hij weet waar het verhaal heengaat en dat hij een bevredigend einde voor ons heeft. De tegenwoordige tijd is onzekerder en benauwder, alsof de verteller zelf het verhaal ook nog af moet tasten en niet meer weet dan de lezer. Soms kun je gebruikmaken van dat gevoel van onzekerheid. Maar als je begint met schrijven, kun je beter eerst met de verleden tijd leren werken.

    Iets anders wat je kunt doen, is van verteltijd wisselen. Soms beginnen schrijvers in de verleden tijd maar schrijven ze de conclusie in de tegenwoordige tijd. Of ze laten twee verhaallijnen door elkaar lopen, een in de verleden tijd en een in de tegenwoordige tijd. In het bergbeklimmersverhaal zou je de eerste techniek toe kunnen passen: het verhaal in de verleden tijd vertellen, tot het moment dat het laatst overgebleven karakter de bergtop bereikt. Dan heeft hij zijn doel bereikt, het eind van zijn reis, en is het tijd om de balans op te maken. Is de reis alle offers (en het feit dat hij waarschijnlijk niet meer thuis kan komen) waard geweest? Door over te gaan op de tegenwoordige tijd, benadruk je als schrijver de ambivalentie van het einde. Jij hebt de lezer tot dat punt gebracht, nu is het aan hem om zijn conclusies te trekken.

  • Beeldspraak

  • Hoeveel beeldspraak je gebruikt – en welk typel – maakt deel uit van je stijl. Maar je kunt de beelden die je gebruikt aan laten sluiten bij de thema's in je verhaal, of bij de omgeving waarin het zich afspeelt. Zo kun je in het bergbeklimmersverhaal beelden gebruiken die te maken hebben met hoogte, met kou, met rotsen, met hopeloze missies, met verdwalen – noem maar op. Gebruik beelden niet alleen omdat je ze mooi of goed verzonnen vindt; denk er ook over na of ze bij het verhaal dat je wilt vertellen passen.






Sarah de Waard Auteursbegeleiding en Redactie
KvK-nummer: 54925037
BTW-identificatienummer: NL131530392B01