Plot


Een plot bestaat uit een reeks opeenvolgende gebeurtenissen die op een logische en geloofwaardige manier uit elkaar voortkomen. Vergelijk het met een keten: iedere schakel past in de volgende, en je kunt er geen tussenuit halen zonder de ketting kapot te maken. Een goede plot kun je in een enkele zin samenvatten ('vijf mensen proberen een berg te beklimmen, maar slechts een haalt de top'), maar als je een plotlijn uit gaat zetten, moet je de stappen die nodig zijn om de plot van begin tot eind te doorlopen stuk voor stuk identificeren. Kies eerst een begin- en een eindpunt. In het geval van het bergbeklimmersverhaal zou het beginpunt het moment kunnen zijn dat de karakters besluiten dat ze de klim gaan wagen, maar het mag ook eerder liggen (bijvoorbeeld als een van de karakters overdenkt dat hij eens wat avontuurlijker moet worden) of later (bijvoorbeeld als de groep aangekomen is in het basiskamp). En het eindpunt kan zijn: een enkel overgebleven karakter dat uitgeput en zonder voorraaden de top bereikt. Vervolgens kijk je moment voor moment, stap voor stap, welke keten van gebeurtenissen van dit beginpunt naar het eindpunt heeft kunnen leiden.

Bij een goed opgebouwde plot volgen de scènes elkaar op een natuurlijke manier op. De ene gebeurtenis leidt tot de ander – oorzaak en gevolg. Een karakter besluit dat hij een berg wil beklimmen en gaat daarom op zoek naar een team. Of een groep besluit gezamenlijk te gaat klimmen en zoekt daarom iemand die hen kan trainen. In het basiskamp wordt de groep overvallen door een storm, en daarom besluiten twee karakters dat de klim toch te gevaarlijk voor hen is. Een karakter krijgt op grote hoogte last van het zuurstofgebrek en dwaalt daarom af van de groep. Je hoeft het verhaal uiteindelijk niet op chronologische volgorde te vertellen en iedere schakel in de keten op te nemen (zie ook vertelvorm). Maar zolang je de plot nog aan het uitdenken bent, kun je de gebeurtenissen beter eerst voor je zien in de volgorde waarin de karakters ze beleven.

Niet iedere schrijver begint met een plot uitdenken. Sommige schrijvers beginnen liever met het bedenken van karakters en laten hun persoonlijkheden de plot bepalen. Andere schrijvers hebben een bepaalde scène in hun hoofd en werken daar omheen. Waar je begint maakt niet veel verschil; het is een persoonlijke voorkeur en je moet doen wat voor jou het beste werkt. Maar uiteindelijk moet je een plotketen uit gaan zetten – op papier of in je hoofd – anders blijf je eindeloos herschrijven en loop je het risico dat je verhaal niets meer is dan een verzameling losse scènes.

  • De hoofdplot

  • De hoofdplot is de ruggengraat van het verhaal, de plotlijn waar alles om draait. Dit is de plotlijn die je als eerste uit moet werken, bij voorkeur scène voor scène op papier. Zeker als je een langer verhaal schrijft waarin meerdere plotlijnen door elkaar lopen, is het makkelijk je hoofdplot uit het oog te verliezen en te verzanden in subplots. Dat moet je zien te voorkomen. Je mag de hoofdplot tijdelijk tweede viool laten spelen bij een subplot, maar op de achtergrond moet hij altijd blijven lopen. Je kunt hem niet een paar hoofdstukken compleet negeren. Alle subplots, alle verhaallijnen staan in dienst van de hoofdplot en moeten hem op de een of andere manier vooruit helpen. Dus hou je samenvatting van één zin ('vijf mensen beklimmen een berg') in je achterhoofd en bij voorkeur op een post-it naast je computerscherm. En controleer regelmatig of je nog op koers ligt.

    De meeste verhalen hebben één hoofdplot, die duidelijk te onderscheiden is van de andere verhaalllijnen. Een enkele keer zijn er twee gelijkwaardige verhaallijnen die weliswaar met elkaar verweven zijn maar die twee gescheiden startpunten en uitkomsten hebben. In de film The Sixth Sense zie je bijvoorbeeld een dergelijke dubbele verhaallijn. Twee hoofdpersonen die elkaar helpen met het bereiken van hun doelen, maar hun verhalen hebben duidelijk gescheiden uitkomsten en je kunt niet zeggen dat de ene verhaallijn belangrijker is dan de andere. Maar je kunt beter eerst met één hoofdplot leren werken voor je gaat experimenteren.

  • Subplots

  • Subplots zijn de verhaallijnen die de hoofdplot omringen en ondersteunen. Maar laat je niet bedriegen door de naam. Subplots zijn niet minder belangrijk dan de hoofdplot. Hoofdplots dragen het verhaal, maar zijn vaak vrij rechttoe-rechtaan. Subplots zijn dynamischer en houden de aandacht van je lezer makkelijker vast. Zeker in een langer verhaal waarin de hoofdplot zich traag ontwikkelt kun je niet zonder subplots. Als de hoofdplot de ruggengraat is, zijn de subplots de organen die het verhaal in leven houden.

    Subplots kunnen nooit helemaal los staan van de hoofdplot. In ons bergbeklimmersverhaal kun je bijvoorbeeld niet halverwege een van de karakters af laten dwalen om hem in zijn eentje een paar grotten te laten verkennen zonder dat dat gevolgen heeft. Hij moet iets in die grotten vinden wat de tocht helpt of hindert, of zijn afwezigheid moet voor spanningen binnen de groep zorgen of het machtsevenwicht veranderen. Als hij die grotten binnengaat met het idee dat hij bezig is met een geweldig avontuur en hij daar de skeletten van een paar verongelukte klimmers van een eerdere expeditie vindt, dan heb je een goede subplot. De ontdekking kan ertoe leiden dat leden van de groep zich realiseren hoe gevaarlijk hun tocht eigenlijk is, en dat een of twee van hen afhaken. Of misschien hebben de overleden klimmers nog voorraden bij zich die de groep kan gebruiken. Maar als het karakter de grotten binnengaat, wat rondkijkt, een paar opmerkingen maakt over de rotsformaties en geologie en dan terugkeert naar de groep die hem niet gemist heeft, dan heb je een subplotje van een paar scènes dat geen enkele invloed uitoefent op de hoofdplot. Dat hoort niet in je verhaal. Het leidt alleen maar af, en hoe mooi je het uitstapje naar de grotten ook vindt, je moet het of schrappen, of een functie geven.

    Een subplot kan verschillende functies binnen een verhaal vervullen. Het kan dienen om de hoofdplot vooruit te helpen, bijvoorbeeld als de karakters uit ons verhaal een manier verzinnen om geld in te zamelen om hun expeditie te financieren. Het kan ook voor complicaties zorgen – halverwege de tocht ontdekken de klimmers dat de helft van hun zuurstofflessen niet werken. Dit kan leiden tot complicaties als de vraag wiens schuld het was, of het opzet was (sabotage?), hoe de overgebleven zuurstof verdeeld moet worden. Of het kan ertoe leiden dat een aantal karakters de klim opgeeft en terugkeert. Een derde soort subplot dient om de karakters uit te diepen. Je kunt er de persoonlijkheid van de verschillende karakters mee tonen, hun reacties op situaties en elkaar, hun ontwikkeling in de loop van het verhaal. Twee karakters die verliefd worden of een dodelijke vijandschap ontwikkelen zijn bekende subplots.

    In een kort verhaal liggen de subplots vrij dicht tegen de hoofdplot aan en kun je makkelijk aanwijzen welke subplots wel en welke niet functioneel zijn. In een langer verhaal of een boek is dat moeilijker. Als een hoofdplot zich gedurende honderden pagina's ontwikkelt, kun je hem niet constant op de voorgrond houden. In dat geval zul je, meer dan in een kort verhaal, op subplots moeten vertrouwen. Maar juist dan is het belangrijk dat je de hoofdlijn in de gaten houdt en zorgt dat je hem nooit compleet loslaat.

  • Plotdrijvers

  • Ieder verhaal heeft zogenaamde 'plotdrijvers' – verhaalelementen die de plot voortstuwen en zorgen dat het geloofwaardig blijft dat de karakters alle stappen doorlopen. Je karakters zelf kunnen plotdrijvers zijn. Als de karakters per se iets willen bereiken – zoals de top van een berg bereiken – is hun verlangen om dat doel te bereiken een belangrijke plotdrijver. De overtuiging dat het doel belangrijk genoeg is om alle tegenslagen te overwinnen moet bij een dergelijk karaktergedreven plot wel sterk genoeg zijn. Je lezer moet geloven dat een karakter zich tegen alle rede in omhoogworstelt naar een bergtop zonder dat daar een tastbare beloning tegenover staat, dus je moet vroeg in het verhaal vaststellen hoeveel waarde de karakters hechten aan het bereiken van hun doel.

    Maar je kunt ook andere plotdrijvers hebben. We hebben tot nu toe aangenomen dat ons bergbeklimmersverhaal zich afspeelt in de moderne wereld. Maar stel dat het zich in een fantasiewereld afspeelt waarin de hoofdstad van een machtig rijk bedreigd wordt door een draak en dat het enige afweermiddel tegen de aanvallen op de top van die berg te vinden is. Dan hebben de karakters een heel andere drijfveer om de klim te ondernemen. Ze willen hun land en hun families beschermen. Ze zijn gestuurd door een opdrachtgever. Misschien zijn ze zelfs bedreigd – zouden ze terechtgesteld worden als ze de klim niet zouden ondernemen. In ieder geval, bij deze voorbeelden is er sprake van externe plotdrijvers. De karakters beklimmen de berg niet uit vrije wil of om een persoonlijk doel te bereiken. Ze worden bedreigd, en weigeren de klim te ondernemen is geen optie.

    Externe plotdrijvers hoeven niet per se vijandig te zijn. Een storm die de terugweg afsluit of een reeks gunstige of ongunstige weersvoorspellingen kunnen de plot ook voortdrijven. Daarnaast kun je ook gebruikmaken van een verborgen plotdrijver. Iets wat de plot voortdrijft zonder dat de karakters zich daarvan bewust zijn. Stel dat er niets op de bergtop ligt, maar dat de draak gepacificeerd kan worden door een mensenoffer. In dat geval worden de bergbeklimmers onder valse voorwendselen de berg opgestuurd, waarschijnlijk met onbetrouwbare instructies en gesaboteerd materiaal. De karakters denken dat het hun doel is de bergtop te bereiken om iets mee terug te brengen, terwijl hun opdrachtgevers hen willen laten omkomen. Als de karakters daar achterkomen, ontstaat er een nieuwe – interne – plotdrijver: overleven. Je kunt meerdere plotdrijvers in je verhaal hebben, en ze kunnen met elkaar botsten. Maar ieder verhaal heeft er op zijn minst één.

  • Keerpunten

  • Iets anders wat ieder verhaal heeft, zijn keerpunten. Dat zijn momenten waarop (scènes waarin) het verhaal een onverwachte wending neemt of de plot in stroomversnelling raakt. Ieder verhaal heeft er in ieder geval twee, eentje tamelijk aan het begin van het verhaal (als de eerste complicatie of het eerste conflict wordt geïntroduceerd) en eentje tegen het einde, als de ontknoping nadert. Vaak is het eerste keerpunt een complicatie (de karakters willen de berg op, maar de klim is veel zwaarder dan ze gedacht hadden) en het tweede een stroomversnelling (er is nog één karakter overgebleven, hij heeft er niets meer mee te winnen de top te bereiken, maar hij beseft dat hij de tocht toch niet zal overleven en is vastberadener dan ooit zijn doel te bereiken). Maar dat is niet verplicht. Een ontknoping kan ook bestaan uit een onverwachte wending (de 'twist' aan het eind). En zolang je het niet om de andere scène doet (je moet je lezer af en toe wat rust gunnen), kun je meer dan twee keerpunten in je verhaal schrijven.

    Subplotten hebben hun eigen keerpunten, maar ze kunnen ook als een keerpunt in de hoofdplot dienen. Stel dat twee karakters in het bergbeklimmersverhaal elkaar niet erg mogen. Er is spanning, de samenwerking verloopt stroef, maar zolang ze beiden nog enthousiast zijn over de tocht weten ze hun persoonlijke gevoelens opzij te zetten. Dan komen ze op een gevaarlijk punt in de klim en moeten er snel beslissingen worden genomen. En de twee karakters komen lijnrecht tegenover elkaar te staan, waardoor de hele operatie vastloopt.

  • Stress tests

  • Als je alle bovenstaande punten (hoofd- en subplots, plotdrijvers, keerpunten) uitgedacht hebt, kun je ze op de proef gaan stellen. Loop ieder punt van je plot langs en kijk of het geloofwaardig is. Passen alle plotlijnen in elkaar? Zijn sommige gebeurtenissen niet iets te toevallig? Zouden de karakters zich echt zo gedragen? Wees eerlijk tegen jezelf, en probeer afstand te nemen van het verhaal. Als het goed is, lijkt het verhaal natuurlijk en vanzelfsprekend te ontstaan, en is jouw sturing onzichtbaar.

  • Samenvattingen en tijdsprongen

  • Zelfs in een betrekkelijk korte verhaallijn moet je kiezen aan welke momenten je aandacht besteedt. Niet iedere scène is even interessant en niet iedere gebeurtenis is even relevant. Een zwaar stuk van de klim waar alles tegenzit wil je misschien stap voor stap beschrijven, maar je hoeft niet ieder detail van de voorbereidingen en de training te vertellen. En de vliegreis naar het land waar de berg staat (aangenomen dat het verhaal in de moderne tijd speelt) kun je helemaal overslaan. Tenzij er tijdens die vlucht iets gebeurt wat van invloed is op de plot, uiteraard. De selectie is aan jou, maar je zult sommige gebeurtenissen samen moeten vatten en minder interessante stukken moeten overslaan.

    Er zijn een aantal vragen die je jezelf kunt stellen bij het selecteren van scènes:

    1. Is de scène nodig voor de plot? Niet 'moeten de karakters deze handeling (zoals afreizen naar de berg) uitvoeren om het verhaal mogelijk te maken' zoals in je eerste plotketen, maar 'is deze scène belangrijk voor de richting die de plot opgaat'. In het bergbeklimmersverhaal is de scène waarin de vijf deelnemers besluiten de tocht te ondernemen van cruciaal belang. Dat besluit zet het verhaal in gang en je kunt het niet weglaten. Dat ze vervolgens in een vliegtuig stappen om de berg die ze willen beklimmen te bereiken volgt logisch uit dat besluit – je hoeft het niet toe te lichten.

    2. Is de scène nodig om de karakters te begrijpen? De scène kan achtergrondinformatie geven (wat motiveert de karakters om de tocht te ondernemen?), de persoonlijkheid van een karakter neerzetten, beschrijven hoe een karakter zich op een bepaald moment voelt, of draaien om de reacties van de karakters op elkaar en hun omgeving. Je hebt in het bergbeklimmersverhaal de vliegreis niet nodig om de plot voort te drijven. Maar je kunt hem wel gebruiken om te beschrijven hoe de verschillende karakters reageren op irritatie, stress of verveling, wat verderop in het verhaal (als er meer op het spel staat) nog van groot belang kan zijn.

    3. Staat er (achtergrond)informatie in de scène die de lezer nodig heeft om het verhaal (beter) te begrijpen? Dit kan van alles zijn – een oude vriendschap of vijandigheid tussen de karakters, een krantenbericht over hoeveel mensen per jaar overlijden bij het beklimmen van bergen, een weersvoorspelling, noem maar op.

    4. En ten slotte: maakt de scène het verhaal spannender of interessanter? Voegt hij in jouw ogen iets toe. Uiteraard is het moeilijk dat te beoordelen: jij hebt de scène bedacht/geschreven, dus natuurlijk vind je dat hij iets bijdraagt. Maar wees eerlijk. Zou een lezer de scène missen als hij het verhaal las? Valt er een gat in het verhaal? Zo niet, dan kun je hem beter weglaten.

    Als je klaar bent met je plot uitwerken, heb je dus twee plotketens. De eerste is heel nauwkeurig en compleet, hoe komen de karakters van A naar Z via B, C, D ... , waarin iedere stap opgenomen is. De tweede is een ingekorte plotlijn, met alleen die scènes die je daadwerkelijk wilt vertellen erin. Je hebt het eerste overzicht nodig om een goed idee te krijgen van alle mogelijke scènes en punten waar je relevante informatie kwijt kunt. Het tweede overzicht gebruik je als leidraad bij het schrijven.

Je plotlijnen op deze manier uitwerken en vastleggen lijkt misschien de spontaniteit en het plezier uit het schrijven van een verhaal te halen. Maar dat je de tijd neemt om een plotlijn uit te denken, wil niet zeggen dat die voor altijd en eeuwig vastligt. Als je begint met schrijven en de plot toch niet lekker loopt of je een idee krijgt dat het verhaal in een nieuwe richting stuurt, kun je altijd terug naar je overzicht om het aan te passen. Spontaan schrijven heeft zijn voordelen. Maar het gevaar dat je vastloopt is groot, zeker bij grotere projecten en zeker als je nog weinig ervaring hebt. Je bespaart jezelf een hoop werk en een hoop herschrijven als je eerst uitdenkt wat je wilt schrijven (en hoe je dat gaat doen) voor je begint.






Sarah de Waard Auteursbegeleiding en Redactie
KvK-nummer: 54925037
BTW-identificatienummer: NL131530392B01