Personages


Hoe belangrijk karakters en karakterontwikkeling zijn, hangt af van het soort verhaal dat je wilt vertellen. Als de nadruk ligt op actie en avontuur, is karakterontwikkeling minder belangrijk dan wanneer je een verhaal schrijft over een karakter dat af moet rekenen met een traumatisch verleden. Soms zitten te genuanceerde karakters een verhaal zelfs in de weg: je verwacht niet dat een karakter uitgebreid jeugdherinneringen op gaat halen als hij om de andere pagina weg moet duiken voor kogels, en een onverwoestbare actieheld hoeft niet per se alle twijfels, angsten en complicaties van een echt persoon te hebben (al zou het wel interessant zijn). Maar interessante karakters (ook de ongecompliceerde) hebben altijd een persoonlijkheid die bestaat uit meer dan uitsluitend 'goede' of 'slechte' eigenschappen. Als je wilt dat lezers zich met hen identificeren of met hen meeleven, mogen ze niet te zwart-wit en karikaturaal overkomen.

  • Hoofdpersonen en bijfiguren

  • Het eerste wat je moet doen als je karakters gaat bedenken, is een duidelijk onderscheid maken tussen de hoofdpersoon (of hoofdpersonen) en de bijfiguren. Misschien denk je dat het voor de hand ligt welke karakters je hoofdpersonen zijn, maar veel schrijvers ontdekken nadat ze begonnen zijn met schrijven dat ze veel meer tijd aan hun bijfiguren besteden dan de bedoelling was. Soms beginnen de bijfiguren de hoofdpersonen zelfs te overschaduwen. Misschien komt het doordat hoofdpersonen vrij vast zitten in hun rol terwijl je met de bijfiguren meer vrijheid hebt, maar schrijvers ontdekken regelmatig dat ze een bijfiguur eigenlijk veel leuker vinden dan de hoofdpersonen.

    Als je een schrijver bent die de karakters het liefst spontaan, tijdens het schrijven, ziet ontstaan, moet je bereid zijn je plot aan te pasen en deze gegroeide bijfiguren of een grotere rol te geven, of ze helemaal uit het verhaal te schrappen en te bewaren voor een ander verhaal. Maar als je je boek of verhaal wilt schrijven zonder al te veel af te dwalen, dan kun je beter voor je begint zorgvuldig bedenken wie je als hoofdpersonen wilt, en je energie steken in het uitwerken van hun persoonlijkheden en hen interessant maken.

    Vaststellen of een karakter een hoofdpersoon is of een bijfiguur is niet altijd even makkelijk. Een hoofdpersoon heeft meestal invloed op de ontwikkeling van de hoofdplot, maar dat kan een bijfiguur ook hebben. In het bergbeklimmersverhaal kan bijvoorbeeld een gids die in het hele verhaal twee zinnen dialoog heeft de plot zwaar beïnvloeden als hij besluit de groep in de steek te laten omdat het hem te gevaarlijk wordt. En je kunt ook een heel passieve held hebben, die zich voort laat stuwen door de gebeurtenissen zonder zelf veel beslissingen te nemen.

    Ook kun je lang niet altijd zeggen dat de verteller (of het karakter waar het perspectief bij ligt) een (de) hoofdpersoon is. Er zijn vertellers die de gebeurtenissen registreren zonder zich erin te mengen. En hoewel een hoofdpersoon vaak een karakter is dat op veel pagina's voorkomt, is ook dat niet altijd een betrouwbaar criterium. Als de karakters in het bergbeklimmersverhaal de berg opgestuurd worden door een koning wiens dreigementen hen voortdrijven, lang nadat duidelijk is geworden dat het een hopeoloze zaak is, is die koning dan nog een bijfiguur? En in zekere zin is de berg ook een karakter geworden. Op een gegeven moment gaan sneeuwstormen en aardbevingen meer op boze opzet lijken dan op natuurverschijnselen.

    Als je eraan twijfelt wie je hoofdpersonen zijn, helpt het niet om een strakke indeling te maken met hoofdpersonen aan de ene kant en bijfiguren aan de andere. Vaak werkt het beter om je karakters op een glijdende schaal te plaatsen, van belangrijk naar onbelangrijk, waarbij je op de volgende punten let:

    • Hoeveel invloed (actief of passief) oefent het karakter uit op de hoofdplot?

    • Bij hoeveel subplots is het karakter (actief of passief) betrokken?

    • Hoeveel 'face time' krijgt het karakter? (Met andere woorden, hoe vaak wordt de aandacht van de lezer op hem of haar gevestigd?)

    • Hoe vervangbaar is het karakter? Hoeveel van zijn of haar rol zou eventueel overgenomen kunnen worden door één of meer andere karakters?

    Dit betekent niet dat je je bijfiguren helemaal niet moet uitwerken, of hen moet reduceren tot gezichtsloze entiteiten of comic relief. Een wereld gaat meer leven als lezers het idee krijgen dat alle karakters een leven hebben waar ze naar terugkeren als ze uit het verhaal stappen. Maar bewaar je grootste creativiteit en de meest boeiende eigenschappen en karakterontwikkelingen voor je hoofdpersonen.

  • Persoonlijkheid

  • Als je begint met schrijven, besteed je waarschijnlijk veel tijd aan het nadenken over en het beschrijven van het uiterlijk van je karakters. Jij ziet hen voor je, en je wilt dat je lezers hetzelfde zien. Maar tenzij het uiterlijk van je karakter een sterke reactie oproept bij de andere karakters (als hij bijvoorbeeld een groot litteken in zijn gezicht heeft), is het niet heel belangrijk hoe hij eruitziet. Meer gevorderde schrijvers besteden vaak maar een of twee zinnetjes aan het uiterlijk van hun karakters (als ze het al beschrijven – ze slaan uiterlijke beschrijvingen ook regelmatig helemaal over), en als ze een karakter introduceren, beginnen ze zelden met een beschrijving van zijn of haar uiterlijk. Persoonlijkheid is veel belangrijker om de aandacht van je lezers vast te houden. Als een lezer je karakters interessant vindt, maakt hij zich vanzelf een voorstelling van hun uiterlijk. En als de karakters geen boeiende persoonlijkheid hebben, zullen alle mooie blonde haren en blauwe ogen hen niet kunnen redden.

    De persoonlijkheid die je karakter in het verhaal toont, wordt door een aantal verschillende elementen beïnvloedt. Dit zijn de belangrijkste:

    • Aanleg

    • Psychologen en andere deskundigen zijn het er nog niet over eens hoeveel van iemands persoonlijkheid is aangeboren en hoeveel is aangeleerd (het 'nurture vs. nature'-debat). Maar kinderen die opgroeien in dezelfde omgeving kunnen heel verschillend zijn, dus je kunt aannemen dat we op zijn minst geboren worden met aanleg voor bepaalde eigenschappen. Intelligentie, charme, brutaliteit, empathie – natuurlijk zijn dergelijke kwaliteiten niet volledig ontwikkeld in een baby, maar ze zijn in potentie aanwezig. Of niet.

      Als je als schrijver je karakters ontwikkelt, kun je hen heel goed zien als baby's die je moet helpen met hun ontwikkeling. Je begint met bedenken welke (aanleg voor) eigenschappen ze hebben. Het best kun je drie lijstjes maken, een met (in jouw ogen) postieve eigenschappen (bijvoorbeeld: intelligentie, creativiteit, onafhankelijkheid), een met negatieve eigenschappen (egoïsme, slordigheid, onnadenkendheid) en een lijstje met eigenschappen die ontbreken (empathie, behoedzaamheid, zelfbeheersing). 'Positief' en 'negatief' zijn hier geen absolute waarden – veel eigenschappen kunnen zowel in iemands voordeel als in zijn nadeel werken, of hem in sommige omstandigheden helpen en in andere hinderen. Te intelligent zijn kan bijvoorbeeld een enorme handicap zijn, zeker als een karakter in een omgeving leeft waar intelligentie niet veel respect afdwingt. En een gebrek aan empathie kan heel nuttig zijn als een karakter in een rampgebied orde op zaken moet stellen – het kan hem helpen zich te blijven concentreren op zijn werk zonder overweldigd te worden door de ellende om hem heen. Zie 'positief' en 'negatief' liever als 'helpt het karakter/is iets waar het karakter trots op is' en 'hindert het karakter/is iets wat het karakter liever niet zou zijn'. Of je kunt een vierde lijstje aanleggen, met 'ambivalente' eigenschappen die het karakter soms helpen en soms hinderen.

      Hoe je de lijstjes samenstelt (hoe je bepaalt welke eigenschappen je karakter wel en niet heeft), hangt af van hoe je werkt. Als je eerst een plot bedenkt, kun je aan de hand van de rol van het karakter daarin bedenken welke eigenschappen hij nodig heeft om zijn taak te kunnen vervullen. Bijvoorbeeld, het karakter dat in het bergbeklimmersverhaal de klim organiseert, zal iemand moeten zijn die initiatief neemt en die genoeg overtuigingskracht heeft om anderen mee te krijgen. Maar hij moet ook iemand zijn die het gevoel heeft dat hij iets extreems moet doen om zichzelf te bewijzen. Tegelijkertijd moet je uitkijken dat de plot niet compleet dicteert welke eigenschappen je wel en niet voor je karakter kiest. Je wilt goed uitgewerkte, driedimensionale karakters neerzetten, en de illusie wekken dat hun persoonlijkheden de plot creëren, niet omgekeerd.

      Veel schrijvers bedenken echter eerst de karakters (of een karakter) en laten de plot om hun persoonlijkheid heen ontstaan. Dan lijkt het werken met lijstjes misschien een beetje kunstmatig – je ziet het karakter immers al helemaal voor je. Toch kan het helpen om de persoonlijkheid van je karakter scherper te krijgen. Vaak zie je een karakter niet voor je als een uitgeknipt papieren poppetje – je ziet hem iets doen, je hoort hem iets zeggen, je stelt je hem voor in een bepaalde situatie. Het is een losse scène, nog geen plot, maar zijn gedrag vertelt je iets over welke eigenschappen hij wel en niet zal hebben. Daar bewust over nadenken helpt je om het karakter verder uit te werken, zijn gedrag consequent te houden, en zorgt ervoor dat hij niet van het ene op het andere moment in een heel ander karakter lijkt te veranderen.

    • Achtergrond

    • Als je eenmaal bedacht hebt welke basiseigenschappen je karakter heeft, kun je zijn achtergrond gaan invullen. Je karakter wordt geboren met bepaalde kwaliteiten, maar hoe en waar hij opgroeit, de mensen die hem opvoeden, zijn vroegste vrienden en vijanden, de normen en waarden van zijn omgeving, de mogelijkheden die hem geboden worden en obstakels die hij moet overwinnen beïnvloeden zijn persoonlijkheid. Ieder karakter heeft een persoonlijke geschiedenis, of die nou uit een aaneenschakeling van avonturen of veertig jaar verveling bestaat, en die is net zo belangrijk als de geschiedenis van een wereld. Wat het karakter geleerd heeft, wat hij gelooft, wat hij als goed en fout ziet, bepaalt voor een deel zijn persoonlijkheid.

      Je begint weer met je lijstjes met karaktereigenschappen. Maar dit keer ga je kiezen welke eigenschappen positief gevonden worden in de omgeving waarin hij opgroeit, en welke negatief. Wat wordt aangemoedigd, wat wordt zo veel mogelijk de grond in gestampt, en wat wordt genegeerd. Een karakter kan bijvoorbeeld heel veel aangeboren nieuwsgierigheid en intelligentie hebben, maar als hij opgroeit in een heel autoritaire omgeving waar je geen vragen mag stellen en twijfel niet getolereerd wordt, zal hij een heel ander mens worden dan wanneer die eigenschappen juist aangemoedigd en geprezen worden. En ook de eigenschappen die een karakter niet heeft spelen een rol. Als een karakter juist niet intelligent (of niet op de verwachte manier intelligent) is in een omgeving waar dat belanrijk wordt gevonden, beïnvloedt dat hoe hij opgroeit. Stel je voor dat je altijd het domme kind bent tussen vijf briljante broers en zussen. Een ontbrekende eigenschap kan een karakter meer vormen dan al zijn goede en slechte kwaliteiten bij elkaar.

      Vervolgens ga je bedenken hoe je karakter zijn opvoeding en de eventuele botsing tussen zijn aangeboren eigenschappen en de normen en waarden van zijn omgeving heeft ervaren. Hoe reageerde je nieuwsgierige karakter op de autoritaire omgeving? Heeft hij gerebelleerd, is hij in verwarring geraakt, heeft hij gedaan alsof hij zich aanpaste tot hij kon ontsnappen? En het karakter dat niet slim genoeg gevonden wordt door zijn familie? Heeft hij hun oordeel geaccepteerd, heeft het zijn zelfvertrouwen aangetast, of heeft hij ontdekt dat hij andere talenten heeft en dat intelligentie niet de enige waardevolle eigenschap is? Onthou dat conflicten in een verhaal vaak interessanter zijn dan harmonie, dus probeer bij voorkeur een omgeving te creëren waarin er wat spanning bestaat tussen de aangeboren eigenschappen van je karakter en wat zijn omgeving van hem verwacht.

      Als je bedenkt hoe je karakter gevormd is door zijn omgeving, wees dan zo concreet mogelijk. Zeg niet 'hij rebelleert tegen het gezag', maar bedenk hoe hij rebelleerde, tegen wie (wie vertegenwoordigt voor hem het 'gezag'?), op welke momenten en waarom juist op dat moment. Verzin een aantal momenten die cruciaal waren voor het karakter, voor wie hij geworden is. Dat kunnen momenten zijn waarop hij beseft dat hij ergens goed (of juist niet goed) in is, waarop hij voor het eerst twijfelt aan iets wat hij altijd vanzelfsprekend heeft gevonden, waarop hij zijn vertrouwen ergens in verliest, waarop hij besluit zich voortaan op een bepaalde manier te gedragen, etc. Wat hem overkomt hoeft niet per se traumatisch en dramatisch te zijn – je hoeft niet per se zijn hele familie om te laten komen in een brand of hem als vierjarige een oorlogsgebied in te sturen om hem interessant te maken. Bedenk opnieuw wat je nodig hebt om de plot rond te krijgen, en voor welk gedrag en welke emoties (bijvoorbeeld woede-uitbarstingen om kleine dingen, of gevoelens van minderwaardigheid bij een toch duidelijk briljant karakter) je de achtergrond moet creëren.

    • Motieven

    • Alle lijstjes die je tot nu toe gemaakt hebt (van karaktereigenschappen, van normen en waarden van de omgeving, van belangrijke momenten) zijn voorbereiding. Het is allemaal al gebeurd voor het verhaal begint, er hoeft geen doorlopende lijn in te zitten en het dient vooral om voor jezelf scherp te krijgen wie je karakter is. Maar als het verhaal eenmaal begint en de plot zich begint te ontwikkelen, moet je karakter een reeks beslissingen nemen en/of reageren op een reeks gebeurtenissen. En dan gaat er nog iets anders meespelen. Zijn motieven. Waarom doet het karakter wat het doet, en waarom reageert hij zoals hij reageert?

      Motieven zijn vooral belangrijk als de beslissingen van het karakter of de karakters de plot voortdrijven. Als de karakters in het bergbeklimmersverhaal noodgedwongen de berg op moeten (vanwege een opdrachtgever, of om iets te vinden wat de draak kan tegenhouden) is het vrij duidelijk wat hen drijft. Maar als ze de berg uit vrije wil beklimmen, om iets aan zichzelf te bewijzen of omdat ze behoefte hebben aan een uitdaging, dan worden hun motieven belangrijk. Zeker als ze eenmaal beslissingen gaan nemen die niet in hun eigen belang lijken te zijn – als ze door blijven klimmen terwijl ze duidelijke gewaarschuwd worden dat dat geen goed idee is.

      De motieven van een karakter komen voort uit zijn persoonlijkheid, maar zijn veel concreter dan karaktereigenschappen. Een eigenschap zegt iets over het karakter in het algemeen – hij is moedig, of intelligent, of vriendelijk. Motieven hebben betrekking op specifieke situaties, beslissingen en reacties. Als je een karakter een berg wilt laten beklimmen, is het niet voldoende om te zeggen dat hij vasthoudend en avontuurlijk is. Je moet veel specifieker bedenken wat hem drijft: het gevoel dat hij niet mannelijk genoeg is, dat hij zichzelf of zijn omgeving iets te bewijzen heeft, dat hij zich verveelt en op zoek is naar een nieuwe uitdaging. Motieven gaan soms tegen de persoonlijkheid van een karakter in. Een karakter dat normaal gespoken verlegen en passief is, kan bijvoorbeeld het gevoel krijgen dat hij niet serieus genomen wordt en besluiten het respect van zijn omgeving af te dwingen door iets te doen wat niemand van hem verwacht. Daarnaast spelen er meestal zowel bewuste als onbewuste factoren een rol. Een karakter zal lang niet altijd weten/analyseren waarom hij iets doet, zeker niet wanneer hij snel/instinctief moet beslissen of wanneer er sprake is van zelfdestructief gedrag.

      De motieven van je karakter moeten altijd geloofwaardig blijven. Dus je kunt het best bij iedere beslissing die de karakters nemen, en bij iedere reactie op een gebeurtenis of een actie van een ander karakter, even stilstaan en je afvragen waarom het karakter dit doet of zo reageert, en of dat past bij zijn persoonlijkheid en de omstandigheden, en of het overeenkomt met wat je je lezers eerder over hem verteld hebt. Hoe groter de beslissing of de reactie, hoe belangrijker het is dat de motivatie van het karakter overtuigend is. Maar ook kleine beslissingen kunnen veel zeggen over een karakter en kunnen helpen zijn gedrag consequent te laten lijken. Dus denk ook na over de kleine beslissingen, over wat een karakter in de supermarkt koopt of over hoe hij reageert als er iets relatief onbelangrijks misgaat. Die kleinere momenten, waarbij er minder op het spel staat, kunnen de toon zetten voor de latere, grote momenten.

    • Karakterontwikkeling

    • Een laatste punt waar je rekening mee moet houden als je de persoonlijkheid van je karakters uitwerkt, is de verandering die een karakter in de loop van het verhaal ondergaat. Een plot is meer dan een reeks obstakels die het karakter moet overwinnen om zijn doel te bereiken. Vaak hebben de gebeurtenissen grote invloed op het karakter. Hij wordt uit zijn vertrouwde omgeving gehaald, hij moet moeilijke beslissingen nemen, hij maakt dingen mee die hij zich niet eens voor had kunnen stellen. Dit zal hem veranderen. Misschien leert hij zichzelf beter kennen, misschien verliest hij iets, raakt hij getraumatiseerd, of realiseert hij zich dat de wereld een stuk gecompliceerder in elkaar zit dan hij gedacht had. Dat betekent niet dat je karakter aan het eind van het verhaal compleet onherkenbaar is en dat er niets over is van de persoonlijkheid en de overtuigingen waarmee hij het verhaal begon. Misschien bevestigen de gebeurtenissen in het verhaal zijn overtuigingen wel. Maar het is niet geloofwaardig als het karakter helemaal niet geraakt wordt door wat hem overkomt, en dat hij nooit een moment van twijfel of onzekerheid kent.

      Je kunt een dergelijke verandering van tevoren plannen. Je kunt het zich ook spontaan laten ontwikkelen. Wat je kiest, hangt af van hoe je je karakters creërt, of je de plot rond je karakters opbouwt of de karakters rond de plot, en hoe gedetailleerd je je plot uitdenkt voor je begint met schrijven. De ene methode is niet beter dan de andere – er zijn argumenten voor en tegen spontaan schrijven (en voor en tegen plannen), en je komt er alleen achter wat voor jou het beste werkt door te experimenteren. Maar welke methode je ook kiest (compleet spontaan, compleet uitgedacht of iets ertussenin), hou er rekening mee dat de gebeurtenissen in het verhaal indruk maken op je karakter. Mensen houden niet op met veranderen als ze twintig zijn, en als je karakter iets overkomt of hij iets onderneemt wat interessant genoeg is om een verhaal over te schrijven, dan zal dat invloed hebben op wie hij is.

  • Uitwerking

  • Als je eenmaal weet wie je karakters zijn, welke eigenschappen, ervaringen en achtergronden ze hebben, moet je hen op zo'n manier zien te beschrijven dat je lezer hen voor zich ziet. Je wilt de persoonlijkheden van je karakters niet te veel uitspellen. De snelste manier om je lezers kwijt te raken is hen expliciet vertellen wat ze van de karakters moeten vinden – dit personage is moedig, vriendelijk, loyaal, etc. Mensen raken veel meer bij je verhaal betrokken als ze hun verbeeldingskracht en inlevingsvermogen kunnen gebruiken. Met andere woorden: show, don't tell.

    • Gedrag

    • Gedrag is de belangrijkste manier waarop je de persoonlijkheid van je karakter kunt tonen. Het is ook de enige manier die je niet kunt negeren. Alle hieronder genoemde punten (gedachten, herinneringen, verwachtingen) kun je eventueel weglaten. Je kunt ervoor kiezen niet in het hoofd van je karakter te kruipen en niets van zijn herinneringen of toekomstverwachtingen te laten zien. Maar je karakter moet handelen en reageren (of kiezen niet te reageren, wat ook een vorm van gedrag is), anders heb je geen verhaal.

      Persoonlijkheid vertalen naar gedrag is minder makkelijk dan het lijkt. Je kunt niet eenvoudigweg zeggen 'hij is opvliegend, dus hij zal wel vaak met zijn vuist op tafel slaan' of 'hij is slim, hij zal wel de eerste zijn die met een oplossing komt'. Op die manier worden je karakters veel te eendimensionaal. Je karakter is met bepaalde trekken geboren, maar heeft ook een opvoeding gehad waarbij hij geleerd heeft hoe hij op situaties moet reageren, welk gedrag wel en niet acceptabel is. Verdriet bijvoorbeeld. In onze cultuur horen tranen bij verdriet. Maar meer voor vrouwen dan voor mannen. Mannen wordt vaak geleerd dat huilen een teken van zwakte is, iets wat ze moeten onderdrukken. Als een man op die manier opgevoed is, zal hij verdriet eerder op een andere manier uiten, bijvoorbeeld door woede, wat een meer acceptabele emotie is voor mannen. Vrouwen huilen daarentegen vaker als ze kwaad zijn, of bij andere sterke emoties (ook positieve emoties). Zelfs als een karakter gerebelleerd heeft tegen wat hij als kind geleerd heeft, dan nog krijg je een dergelijke conditionering er niet zo makkelijk uit.

      Maar opvoeding en cultuur gaan verder dan voorschrijven hoe iemand emoties wel en niet mag uiten. Ze leren je ook welke emoties er bij welke situaties horen. Je hoort verdriet te voelen als iemand in je naaste omgeving overlijdt, tenzij je een goede reden had om een hekel aan die persoon te hebben. En zelfs dan hoor je dat niet hardop te zeggen. Wat mensen echt voelen botst voortdurend met wat ze volgens de normen en waarden van hun omgeving geacht worden te voelen, wat voor veel gecompliceerdere reacties zorgt dan 'hij is opvliegend, dus hij slaat op tafels'. Mensen willen op een bepaalde manier overkomen op anderen, en kunnen hun gedrag tot op zekere hoogte aanpassen. Iemand die opvliegend is kan bijvoorbeeld geleerd hebben zich te beheersen omdat hij op die manier sneller zijn zin krijgt, of omdat hij zijn opvliegendheid als een negatieve eigenschap ziet. En daarnaast is het heel goed mogelijk dat mensen sommige emoties niet alleen niet kunnen uiten maar ook niet kunnen herkennen omdat hen nooit geleerd is hoe.

      Ten slotte moet je er in sommige gevallen nog rekening mee houden dat externe omstandigheden het gedrag van je karakters (en zelfs hun persoonlijkheid) kunnen veranderen. In het bergbekllimmersverhaal, bijvoorbeeld, moet je eraan denken dat grote hoogte, ijle lucht en kou iemands concentratie en beoordelingsvermogen ernstig aan kunnen tasten. Honger, pijn, uitdroging etc. hebben soortgelijke effecten. En medicijnen en drugs kunnen iemands gedrag en persoonlijkheid drastisch veranderen, net als hersenbeschadigingen (bijvoorbeeld door een klap op het hoofd).

      In je verhaal wordt je karakter geconfronteerd met een reeks gebeurtenissen. Daar ervaart hij emoties bij. Welke emoties dat zijn, hoe hij die uit, en hoe hij reageert, hangt voor een deel af van zijn karakter, en voor een deel van hoe hij eerder in zijn leven heeft geleerd wat hij wanneer hoort te voelen en hoe hij zich moet gedragen. Maar als je een karakter beschrijft, ga je niet stap voor stap alles wat invloed gehad heeft op zijn beslissingen en reacties af. Jij moet al die invloeden kennen en uitgedacht hebben, maar je laat je lezer alleen het eindresultaat – het gedrag – zien. Op die manier geef je je lezers de kans zich in het karakter in te leven en hun eigen conclusies te trekken. Show, don't tell.

    • Gedachten

    • Er zijn schrijvers die hun karakters alleen van buitenaf beschrijven – dus alleen hun gedrag en wat ze zeggen, zoals je in een film of een toneelstuk zou zien. Maar de meesten maken er gebruik van dat ze de gedachten en gevoelens van hun karakters kunnen beschrijven. Een karakter uitsluitend neerzetten via gedrag is moeilijk, zeker als je net begint met schrijven. Door de gedachten van je karakters (of een karakter) te laten zien, kun je meer achtergrond geven en je lezers een duidelijker idee geven waarom ze zich op een bepaalde manier gedragen.

      Dat je de gedachten van een karakter kunt weergeven, is echter geen excuus om show, don't tell los te laten. Als twee karakters bijvoorbeeld tegen elkaar schreeuwen, zeg je als schrijver niet '... schreeuwde hij, want hij was boos.' Dat kan een lezer zelf ook bedenken, en je wilt niet iedere emotie en gedachtengang toelichten en uitspellen. Je moet je lezers nog steeds de kans geven hun eigen conclusies te trekken. Maar wat je bijvoorbeeld wel kunt doen, is naar een actie of reactie toewerken. Stel dat karakter B heel erg op de zenuwen van karakter A werkt. In plaats van dat uit te spellen ('A raakte steeds meer geïriteerd door de oppervlakkigheid van B'), kun je beschrijven hoe karakter A iedere keer als karakter B iets doet wat hem niet aanstaat op zijn tong bijt en zich inhoudt ('A slikte een scherp antwoord in en veranderde van onderwerp'). Als je dit een paar keer herhaald (waarbij het karakter A iedere keer meer moeite kost om niets te zeggen), kun je die irritatie en spanning op laten bouwen, tot karakter A het niet meer uithoudt en uitvalt tegen karakter B over een onschuldig lijkende opmerking. Doordat je lezers de opbouw ernaartoe konden volgen, zullen ze de uitbarsting begrijpen en zelfs verwachten, terwijl het voor de andere karakters een donderslag bij heldere hemel kan lijken.

      Een andere manier om de persoonlijkheid van je karakter te beschrijven is een herinnering ophalen. Een karakter is gevormd door zijn verleden – daar heeft hij geleerd hoe hij zich moet gedragen – en een blik op zijn achtergrond kan zijn persoonlijkheid uitdiepen. Opnieuw maak je gebruik van show, don't tell – je zegt niet 'terwijl A zich in moest houden om B geen mep te verkopen, dacht hij terug aan hoe zijn moeder altijd met dezelfde onnozele verhalen aankwam, en hoe hij niet had kunnen wachten om zijn ouderlijk huis te verlaten'. In plaats daarvan beschrijf je de scène die het karakter zich herinnert (in dit geval dat hij als kind naar verhalen van zijn moeder moest luisteren) en vertrouw je erop dat je lezer de connectie maakt tussen hoe hij zich in het verleden voelde en hoe hij wel of niet reageerde en hoe hij zich onder soortgelijke omstandigheden in het heden voelt.

      Je hoeft de herinnering en de situatie/ervaring in het heden waar ze aan gekoppeld is ook niet vlak achter elkaar te vertellen. Je kunt de herinnering zonder problemen een stuk eerder in het verhaal plaatsen en erop vertrouwen dat je lezers zich dat stukje nog herinneren op het moment dat de ervaring in het heden aan de beurt is. Maar dan moet je wel zorgen dat de herinnering een sterke scène is die indruk maakt op je lezer, ook als die nog niet precies weet waar deze gebeurtenis in het verhaal past. Hoe verder de twee van elkaar af liggen, hoe sterker de herinnering moet zijn als op zichzelf staande scène. Want hoewel lezers niet direct alles wat ze lezen weer vergeten, zijn ze wel selectief in wat ze wel en niet onthouden. Als iets geen indruk maakt, is het zo weer weg.

      Nog iets anders wat je kunt doen om de persoonlijkheid van je karakters verder uit te diepen, is hun toekomstverwachtingen beschrijven. De meeste mensen maken zich een voorstelling van wat er in de toekomst gaat gebeuren. Ze willen iets bereiken of iets krijgen, ze zijn bang dat er iets zal gebeuren, ze denken, hopen of vrezen dat er iets zal veranderen. Voor de karakters in het bergbeklimmersverhaal, bijvoorbeeld, zijn toekomstverwachtingen erg belangrijk. Ze beklimmen die berg niet uitsluitend om de top te bereiken. Ze verwachten dat het bereiken van de top door zal werken in de rest van hun leven. Terecht of niet, het idee dat de klim hun leven (positief) zal veranderen is een belangrijke drijfveer voor het hele avontuur. Maar toekomstverwachtingen zijn meer dan drijfveren. Wat een karakter verwacht, hoopt of vreest zegt veel over zijn persoonlijkheid en hoe hij opgegroeid is.

    • Taalgebruik

    • Een laatste manier om de persoonlijkheid van je karakters neer te zetten, is via hun manier van spreken. Iedereen heeft bepaalde uitdrukkingen die hij vaak gebruikt, woorden die terugkomen, gespreksonderwerpen die hij graag aansnijdt of juist vermijdt. Dialoog is heel geschikt om karakters persoonlijkheid te geven, juist als je hen over onderwerpen laat praten die niets met de plot te maken hebben. Als je de vijf karakters uit het bergbeklimmersverhaal bijvoorbeeld snel wilt introduceren, laat je hen een avond over iets als hun favoriete popmuziek of films discussiëren. Welke muziek of films vinden ze leuk, welke niet, en wanneer liegen ze over hun smaak en waarom. Niet alle dialoog hoeft te gaan over 'Welke kant gaan we op?' of 'Wat was dat?' Gesprekken kunnen ook dienen om karakters (en de verhoudingen tussen de karakters) weer te geven.

      Maar taalgebruik gaat verder dan dialoog. Als je beschrijft hoe een karakter denkt, hoe hij zijn gedachten voor zichzelf verwoordt, wat hij opmerkt als hij ergens naar kijkt, dan pas je je taalgebruik ook aan hem aan. Je past de beschrijvingen aan aan zijn wereldbeeld – hoe iemand bijvoorbeeld de zon of de maan of een regenboog ziet, hangt af van de verklaring die in zijn wereld voor het bestaan en de functie ervan wordt gegeven, en van zijn eigen persoonlijke associaties ermee. En gedachten hebben net zo goed een individuele klank als hardop uitgesproken dialoog.

  • Groepsgedrag

  • Als je karakters in een groep optrekken (wat vaak het geval zal zijn), zul je niet alleen rekening moeten houden met hun individuele persoonlijkheden, maar ook met de groepsdynamiek. Een groep is meer dan een verzameling individuen. Groepen hebben in zekere zin hun eigen persoonlijkheid. En mensen veranderen in een groep. Iedere groep (zelfs een groep die uit drie of vier personen bestaat) heeft leiders en volgers, en die beïnvloeden elkaars gedrag. Een leider kan grote invloed uitoefenen op het gedrag van de rest van de groep, zowel ten goede als ten kwade, maar omgekeerd kan een leider ook sterk onder druk staan van zijn volgelingen. Als hij bijvoorbeeld denkt dat hij hun respect en daarmee zijn invloed zal verliezen als hij niet hard optreedt, zal hij niet snel genade tonen als iemand zijn regels overtreedt, zelfs als de overtreding in zijn ogen niet zo groot is.

    Meestal duurt het niet lang voor duidelijk is wie de leiders in een groep zijn en wie de volgers. Maar hoe nieuwer een groep is, hoe makkelijker de machtsverhoudingen kunnen veranderen. Een karakter kan wegvallen, er kan iemand bijkomen, of de omstandigheden kunnen veranderen waardoor de vaardigheden van een ondergeschikt karakter opeens van vitaal belang worden. En natuurlijk kunnen volgende karakters rebelleren als ze zich niet meer kunnen vinden in het gedrag van hun leider. Maar onderschat de invloed van de groep op het individu niet. Groepen belonen 'goed', voor de groep acceptabel gedrag en straffen 'slecht' gedrag. En vaak nemen individuen bewust of onbewust de normen van de groep over, ook als de groep iets vraagt wat ze niet gedaan zouden hebben als ze de beslissing zelfstandig hadden genomen.

    In het bergbeklimmersverhaal is het karakter dat het initiatief neemt tot de klim en de andere leden van de groep rekruteert in het begin van het verhaal waarschijnlijk de leider. Het is zijn idee, hij is degene die de anderen enthousiast weet te krijgen, misschien ook degene die de organisatie op zich neemt en fondsen werft. Maar als de omstandigheden veranderen – bijvoorbeeld bij een onverwachte tegenslag – is het heel goed mogelijk dat een ander karakter de facto de leiding overneemt. Iemand die niet snel in paniek raakt misschien, en die meer kalmte en zelfvertrouwen uitstraalt. Of iemand met meer ervaring, die zich tot dan toe op de achtergrond heeft gehouden omdat hij het eerste karakter de ervaring gunde. Een dergelijke machtswisseling zal nooit zonder frictie of frustratie verlopen, dus daar ontstaat weer een mogelijke bron van conflict. Ook moet je de motieven en emoties van de volgers niet uit het oog verliezen. Het kan griezelig zijn om tot de conclusie te komen dat iemand die je bewust of onbewust als leider hebt gekozen de taak niet aankan, zeker wanneer je je in een gevaarlijke situatie bevindt. Volgers (en hun motieven) zijn even interessant en gecompliceerd als leiders, en je voegt diepte aan je verhaal toe als je niet al je aandacht op de dominante, leidende karakters richt.

  • Diversiteit

  • Zorg ten slotte dat je karakters goed uit elkaar te houden zijn. Zorg voor wat diversiteit, en niet alleen in hun namen en hun uiterlijk. Diversiteit zorgt voor conflicten, en conflicten maken een verhaal interessant. Als je twee of vijf of tien karakters hebt die allemaal min of meer hetzelfde wereldbeeld hebben, hetzelfde doel willen bereiken en het erover eens zijn hoe ze dat willen doen, kun je alleen voor conflicten zorgen door exerne obstakels op te werpen. Een vijand die hen tegen wil houden, bijvoorbeeld, of een rivier die niet over te steken is of een storm die onverwacht opsteekt. Maar als je karakters allemaal verschillende motieven hebben, verschillende manieren om iets te bereiken, en verschillende einddoelen in hun hoofd hebben, heb je veel meer bronnen van potentieel conflict.

    Als bijvoorbeeld in het bergbeklimmersverhaal alle karakters even vastbesloten zijn om de bergtop te halen en ze allemaal dezelfde reden hebben om de tocht te ondernemen, zijn de enige obstakels de fysieke ontberingen van de klim. Zware lichamelijke belasting, kou, slecht weer, slecht functionerende apparatuur. Nu is dit in een extreme situatie als een klim die foutloopt op zich dramatisch genoeg. Je zou een verhaal kunnen schrijven waarin je de nadruk legt op actie en het overwinnen van fysieke beperkingen. Maar het zal een actiefilm blijven, zonder al te veel emotionele diepgang. Als je de karakters echter allemaal een andere achtergrond en andere manier van reageren geeft, en ze niet allemaal harmonieus samenwerken om hun doel te bereiken, maak je hen menselijker en voeg je een nieuwe laag aan het verhaal toe.

    En die diversiteit hoeft niet zo bot te zijn als 'een van de karakters is een verrader die de expeditie saboteert' of 'mannen denken niet dat vrouwen sterk genoeg zijn om een dergelijke tocht te ondernemen'. Je kunt eenvoudig voor diversiteit zorgen door karakters verschillend te laten reageren op een en dezelfde gebeurtenis, of ze dezelfde emotie op een andere manier te laten uiten. Neem angst. Als het mis begint te gaan met de expeditie, zullen alle karakters bang worden. Ze ervaren allemaal dezelfde emotie. Maar een van hen kan roekeloos worden omdat hij niet toe wil geven dat hij bang is, terwijl een tweede karakter herinnerd kan worden aan een verlammend jeugdtrauma, een derde kan het op willen geven en de expeditie stop willen zetten, etc. Die verschillende reacties zorgen voor een conflict, zeker als samenhorigheid op dat moment hard nodig is, bijvoorbeeld omdat ze zonder elkaar niet vooruit of terug kunnen.

Ten slotte is er nog één ding dat je kunt om je karakters een persoonlijkheid mee te geven. Je moet hem of haar voor jezelf tot leven wekken. Probeer in de huid van je karakter te kruipen, probeer je voor te stellen hoe hij of zij zich in verschillende situaties zou voelen en hoe hij of zij zou reageren. Daarbij hoef je je niet te beperken tot situaties die in je verhaal voor (kunnen) komen. Stel je ook voor dat hij naast je loopt en alledaagse dingen doet. Of plaats hem in een soapserie of in een detective en laat hem een tijdje meespelen in de verhaallijnen van anderen. Ja, de verhalen in soaps en detectives zijn vaak nogal absurd. Maar het zijn goede plaatsen om een karakter uit te testen. Je karakters voor een proefrit loslaten in andermans werk zorgt er vaak voor dat je onverwacht nieuwe dingen over hen ontdekt, doordat je hen in situaties plaatst waar je zelf niet aan gedacht zou hebben.

Niet iedere schrijver vindt het nodig of prettig om zijn karakters tijdelijk uit hun eigen wereld te halen. Soms is het genoeg om een karakter mee te nemen langs de verschillende plotpunten en je voor te stellen hoe hij daar zou reageren. Maar hoe dan ook, vroeger of later zul je op moeten houden met plannen en lijstjes maken en het karakter leven inblazen. Boven alles heb je fantasie en inlevingsvermogen nodig om echt unieke en memorabele karakters te creëren.






Sarah de Waard Auteursbegeleiding en Redactie
KvK-nummer: 54925037
BTW-identificatienummer: NL131530392B01